Another European Columbine / Nog een akelei

Although the weather was a bit sombre and grey today. These European Columbines were aglow with color. The shapes of these flowers is absolutely fascinating. They are like bundles of little wizards’ hats.

Akelei, Aguilea, European Columbine
Aquilegia vulgaris / European Columbine / gewone akelei

“Pangwe”

Linocut is an ideal technique for expressive subjects. I’m still trying the press and experimenting with different types of linoleum, ink, and paper. First print of a series of 4. This design is a free interpretation of a tribal ‘Pangwe’ mask.

De Linoleumsnede is ideaal voor het uitbeelden van expressieve onderwerpen. Ik ben nog aan het experimenteren met de nieuwe pers, verschillende soorten linoleum, inkt en papier. Dit is de eerste afdruk uit een kleine serie van 4 in verschillende kleuren. Het ontwerp is een vrije bewerking van een masker van de ‘Pangwe’ cultuur.

Linocut of Pangwe mask
“Pangwe”. Linocut/linoleumsnede. 29,2 x 21,1 cm. 2016

De heilige Agnes en Tante Annie

(Dit is de Nederlandse vrije bewerking van mijn recente Engelstalig blog-artikel over de 19de-eeuwse staalgravure naar het schilderij ‘De heilige Agnes’ van Domenichino uit de Britse ‘Royal Collection’. Tijdens het schrijven ben ik een beetje van de lijn van het oorspronkelijk stukje afgeraakt. De afbeeldingen zijn in eerdere stukjes gepubliceerd, maar in de loop van de maand mei worden nieuwe foto’s toegevoegd.)

Detail of an engraving after Jean-baptiste Greuze
Steel engraving of ‘Childhood’ by jean-Baptiste Greuze. Detail.

Het is een zonnige dag in mei. Tijd dus voor een snuifje kunstgeschiedenis vermengd met persoonlijke herinneringen. Een tijdje geleden schreef ik een Engelstalig artikel over twee grote en zware boeken met 19de-eeuwse gravures naar originele werken in de Britse Royal Collection. De boeken, in Londen uitgegeven door P. & D. Colnaghi & Co. in de jaren 1854 – 1860 bevatten een verzameling staalgravures gemaakt naar originelen die verspreid in de paleizen van het Britse koningshuis te vinden waren. In de 19de eeuw waren staalgravures zeer populair bij het maken van reproducties van kunstwerken in openbare en particuliere collecties. In de tijd dat deze volumineuze en loodzware boeken werden geproduceerd bestond de fotografie al wel, maar deze techniek werd nog niet op grote schaal toegepast voor het reproduceren van kunst. De staalgravures zijn gemaakt door een team graveurs die speciaal toestemming kregen om de werken te kopiëren. De staalgravure is een diepdruk techniek. Dat wil zeggen dat de afbeelding ingekerfd wordt in een gepolijste staalplaat. Dat kan door etsen, maar ook door gebruik te maken van fijne naalden en instrumenten die meerdere dunne lijnen tegelijkertijd inkrassen. Door het gebruik van mechanische hulpmiddelen ziet de staalgravure er vaak wat ‘droog’ en onpersoonlijk uit. Deze toepassing van de staalgravure wordt ook wel ’reproductie-grafiek’ genoemd. In tegenstelling tot de koperplaatjes die door kunstenaars gebruikt worden voor het maken van etsen en kopergravures, gaan de staalplaten lang mee en kunnen er grotere oplagen van gedrukt worden.

De Heilige Agnes. Detail uit de boeken van Hall.
De Heilige Agnes. Detail uit de boeken van Hall.

De boeken waarin de gravures zijn gebonden bevatten beschrijvingen door Samuel Carter Hall (1800 – 18889). Hall was ook de initiatiefnemer van het project. Het was een beetje een zurige man en dat komt in zijn beschrijvingen duidelijk naar voren. Een commercieel succes is de publicatie nooit geworden. De platen zijn eerst separaat gedrukt voor abonnees op een kunsttijdschrift. Op een bepaald moment is besloten alle prenten te bundelen in vier volumes, gebonden in twee enorme banden. Op dat moment zijn de drukplaten verzaagd en zijn er nog meer afdrukken van gemaakt. De boeken bevatten de oorspronkelijke afdrukken op dik papier. Gelukkig is besloten voor een papiersoort die niet, zoals zoveel papier uit de 19de-eeuw, gevoelig is voor verzuring. Hierdoor zijn de prenten in goede staat.

De boeken zelf hebben heel lang op een kast in het oude Haagse bovenhuis van mijn oudtante gelegen, zie het engelstalige artikel daarover. Die oudtante, een familielegende, was een merkwaardige en eigenzinnige vrouw waar ik als kind eigenlijk het liefst ver bij uit de buurt bleef. Ze had een nogal directe manier van doen. Daarbij had ze de gepekelde en doorrookte stem van een kapitein op de Grote Vaart. De staande uitdrukking hiervoor is de stem van een bootwerker. Met die stem bulderde zij haar mening over alles en iedereen onbekommerd voor zich uit. Op het klein jongetje dat ik was kwam dat nogal intimiderend over. Tante Annie was bovendien een fanatiek kettingrookster die overal een spoor van as, peuken en brandgaten achterliet. Na een bezoek van haar aan mijn ouderlijk huis klaagde mijn vader er steevast over dat de suikerpot weer eens vol peuken zat. Ze rookte, in haar huis, op visite, in haar atelier, in bed, achter het fornuis en achter het stuur van haar zwarte Citroën Traction Avant. Ze rookte tijdens het veranderen van haar testament, wat ze gemiddeld eens per week deed. Ze rookte overal en altijd. In haar Haagse bovenhuis runde ze een naaiatelier waar door professionele naaisters verfijnde jurken voor een uitgelezen clientèle, waaronder enkele hofdames, werden gemaakt. Achteraf bezien vraag ik mij wel eens af of deze jurken niet volledig van sigarettenrook doortrokken aan haar veeleisende klanten werden afgeleverd. Was roken in die tijd soms zo geaccepteerd dat niemand zich eraan stoorde?

hall-01-med

De boeken die nu binnen mijn handbereik liggen zijn stille getuigen van dit, sinds lange tijd verdwenen, atelier. Als je aan de pagina’s snuffelt wordt je nog een vleugje sigarettenrook gewaar. Een oom van mij zei ooit tegen haar: ‘Tante, je moet toch eens stoppen met dat gerook in bed. Want anders wordt je op een goede ochtend wakker … en dan ben je hartstikke dood.’ In mijn ogen was ze toen al oeroud en ergens in de jaren 80, toen ik in Leiden studeerde, is ze inderdaad overleden. Met of zonder sigaret en bed, dat weet ik niet. Het contact met deze bizarre oudtante stond in deze jaren op een heel laag pitje.

Hoe en wanneer de boeken precies in het bezit van mijn oudtante zijn gekomen weet ik niet meer. Ze lagen daar op die duistere houten kast in het sombere Haagse huis. De familietraditie om op nieuwjaarsdag bij mijn oudtante op bezoek te gaan heeft er iets mee te maken dat ze uiteindelijk bij mij zijn beland. Gedurende de nieuwjaarsdag, met het naderen van het moment waarop mijn ouders opstonden en naar de auto liepen om naar de naargeestige Haagse wijk te rijden, daalde mijn humeur en steeg het gevoel van onbestemde misère. Eenmaal aangekomen beklommen wij de steile trap en baanden ons een weg naar binnen. Meestal kon je door de rook al geen hand voor ogen meer zien. Het weerzien met ooms, tantes neven en nicht was op zich wel leuk, maar de duistere atmosfeer en de overdonderende zwaarte en somberheid van het interieur kwamen als beelden uit een verstikkende nachtmerrie op mij af. De muren waren van onder tot boven volgehangen met grote schilderijen in brede vergulde ornamentlijsten. Een enorme liggende naakte vrouw, waarvan ik mij altijd angstig afvroeg of het tante Annie in jonger jaren was, hing pontificaal boven de canapé. Ik vermeed het meestal in de richting van de canapé te kijken uit angst voor de vermorzelende naaktheid die van het schilderij leek af te rollen. De stoelen met de gigantische lederen armleuningen, gepokt en gemazeld met brandgaten, werden gevuld met vrolijk rokende, discussiërende en drinkende familieleden – het waren de jaren ’70. Neef en nicht bezorgden zo nu en dan wat welkome afleiding, maar omdat zij ouder waren en al op de middelbare school zaten, waren zij voor de volwassenen interessant genoeg om bij hun gesprekken te betrekken. Ik trok mij na verloop van tijd terug in de hal. En daar ontdekte ik de twee voor mijn gevoel enorme boeken die mij door tante Annie welwillend ter beschikking werden gesteld. Ik wist nog niets van kunst. Ik had ook nog nooit echte gravures gezien, maar de charmante genretaferelen en landschappen voerden mij ver weg van het hier en nu van dat moment. De grote bladen waren magische vliegende tapijten waarop ik wegvloog naar de Oriënt, of zweefde boven een Brits herderslandschap met een slingerende rivier.

Ik klampte mij aan de boeken vast als waren het in leder gebonden reddingsboeien. Af en toe gleed mijn blik naar de duistere uithoeken van het appartement en hoorde ik het geroezemoes, de luide gesprekken en het geklink van glazen uit de salon komen. De meubelen waren allemaal gestoffeerd met donkere stoffen, of ongestoffeerd, maar van donker hout. De divan in de salon was bedekt met een oosters kleed, zoals de beroemde divan van Sigmund Freud op de foto’s van zijn spreekkamer in Wenen en Londen. Alles, maar dan ook werkelijk alles, had op mij een angstaanjagende en beklemmende uitwerking. Op zo’n moment hoefde ik maar weer naar beneden te kijken – de boeken lagen op een zwaar Perzisch tapijt – en weg was ik, als Little Nemo in Slumberland, opgenomen in de werelden in de prenten.

Detail of the engraving after a painting by F. Winterhalter. Royal Collection Osbourne.
Detail of the engraving after a painting by F. Winterhalter. Royal Collection Osbourne.

Het was tijdens zo’n droomvlucht door een Italiaans heuvellandschap dat ik plotseling de zware basstem van mijn oudtante boven mij hoorde. Als Harry Potter die door Perkamentus uit de ‘hersenpan’ [pensieve] wordt teruggeroepen, zo werd ik weggezogen uit het droomlandschap dat door de haarscherpe staalgravure voor mijn ogen werd getoverd.

“Je vindt die boeken mooi hè…” bromde ze glimlachend.

“Ja tante Annie. Het zijn mooie platen. Maar ik heb ze lang nog niet allemaal bekeken”. Ik was kennelijk bang voor een overhoring, dus ik probeerde me al in te dekken. Iedere plaat wordt vergezeld door een Engelse beschrijving. In die tijd was mijn beheersing van die taal volkomen ontoereikend. Ik keek naar de platen, maar de beschrijvingen liet ik voor wat zij waren.

“Als ik later dood ben, dan zijn ze voor jou”, baste ze door de ruimte, met een wijds theatraal handgebaar. Mijn ouders, ooms en tantes, sloegen het tafereel gaande. Ik zat met mijn mond vol tanden op het Perzisch tapijt, doodongelukkig omdat nu alle blikken op mij gericht waren. De vlucht in de boeken had mij vol in de spotlichten op de Bühne van tante Annies familietheater doen belanden. In die tijd ontbeerde ik ieder sociaal instinct, sociale behendigheid en gemak in ongemakkelijke situaties, dus ik werd knalrood en stamelde een onverstaanbaar: “… eeeh, oh, eh, dank u tante Annie”. Iedereen boog zich plotseling geïnteresseerd over de boeken en ik hoorde tante Annie vertellen dat zij ze met een vrachtboot uit Engeland had meegenomen. Dat was niet onwaarschijnlijk, want deze feministe avant la lettre maakte bizarre reizen, soms in gezelschap van haar vriendin Riek, ‘tante’ Riek.

Van tante Riek weet ik niet al te veel. Ze was, net als tante Annie alleenstaand en werkte ergens in Den Haag. In de laatste drie jaar van mijn middelbare schooltijd gaf zij mijn moeder de Elsevier en Vrij Nederland, toen nog een echte krant, met een papieren wikkel en een gele bijlage, voor mij mee. Met een oude brievenopener sneed ik het wikkel los en las de artikelen. Zonder het te weten heeft deze tante Riek, over de werkelijke relatie die zij met tante Annie had werd alleen gefluisterd, veel aan mijn ontwikkeling bijgedragen, want ik verslond ieder artikel en begon mij daardoor steeds breder in de wereld te verdiepen. Het openritsen van het wikkel was als het openen van een geheime ruimte vol opgeslagen kennis. Het was ook de eerste keer dat ik iets las van mijn latere held, Rudy Kousbroek, maar daarover een ander artikel.

Tante Annie en tante Riek verschenen vaak samen op verjaardagen. Meestal uren te laat, omdat zij weer eens naar een nabijgelegen stad waren gereden. Tante Annie bulderde in het rond en vulde de suikerpot met peuken. In de rook gingen armen met houten prikkers naar blokjes kaas en kleine worstjes. De aan de stokjes geprikte lekkernijen bewogen naar een schaaltje mosterd en verdwenen in monden terwijl daar de rook uit omhoog kringelde. Dat waren verjaardagen in de jaren ’70. Er werd heftig gedebatteerd over politiek. Er was onenigheid over ‘langharig werkschuw tuig’, over Joop den Uijl, Wiegel, Rusland, over alles. Moslim-terrorisme was toen nog niet aan de orde. Broekspijpen hadden wijde uitlopers en in veel kamers van middelbare scholieren waren visnetten opgehangen. Bij die gelegenheden werd ik door Riek en tante Annie meestal welwillend bejegend. Ik deed net alsof ik met hen op dezelfde golflengte zat. Soms zei tante Annie: “Jij weet het wel hè… Hoe de dingen in elkaar zitten. Jij bent niet zo dom als je vader”. Dan mompelde ik wat, want “nee” kon ik niet zeggen en “ja” ook niet. Bovendien had ik geen idee hoe de dingen in elkaar zaten. Ik had überhaupt geen idee over welke dingen ze het had. Aan de andere kant herkende ik dat ze me kennelijk hoog aansloeg en die illusie wilde ik liever nier verbreken. Diepzinnig zwijgen, of onverstaanbaar mompelen was op dat moment dus de meest geschikte tactiek om ongeschonden uit het onderonsje weg te komen.

Reproduction engraving of ‘Childhood’ by Greuze. Royl Collection, Buckingham Palace.
Reproduction engraving of ‘Childhood’ by Greuze. Royl Collection, Buckingham Palace.

Mijn vader en tante Annie haatten elkaar, maar om verschillende redenen. Tante Annie vond mijn vader ten onrechte een domme, kleinburgerlijke en reactionaire man, die mijn moeder niet waard was. Mijn vader vond tante Annie ten onrechte een kwaadaardige, laveloze, losbandige en lelijke gevaarlijke gek. Met afschuw vertelde hij vaak het verhaal hoe hij niet lang na de oorlog in Den Haag door een winkelstraat liep en plotseling een luide claxon hoorde toeteren. Na het overdreven lang claxonneren klonk een luid: “Dag Joop! … Wil je een lift?” vanaf de overkant van de straat en zag hij de zwarte Traction Avant (zo’n echte Maigret-auto) met opengedraaid raam waaruit het geplette jaren ’20 kapsel van mijn oudtante stak, inclusief hoofd en sigaret. Zulke zaken waren aan mijn vader absoluut niet besteed en hij ging er zo snel mogelijk vandoor in de hoop dat geen bekende het tafereel had gadegeslagen. De potsen van deze tante van mijn moeder waren hem een doorn in het oog, vooral het voortdurende misbruik van het testament als wapen. De ene week stond je erin, de volgende was je er weer uit weggestreept. Je werd gepaaid met een mogelijke vermelding in het testament, of er werd gedreigd met verwijdering. Mijn moeder, haar nichtje, is uiteindelijk definitief uit het testament geschrapt, nadat ze de chantage en de onwaardige behandeling niet langer accepteerde.

De boeken van Hall zijn jarenlang door mijn neef bewaard voordat hij ze weer aan mij overdroeg. Zijn herinneringen aan onze oudtante zullen wel hemelsbreed van elkaar verschillen. Ik zal hem eens uitnodigen als gastredacteur een stukje over zijn beleving van die tijd te schrijven, want ik weet zeker dat mijn beleving gekleurd is en de informatie grotendeels uit de tweede hand.

De collectie van het Britse koningshuis is gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk. Het is boeiend om te zien hoe de werken verzameld werden. Het is ook een zeer eclectische verzameling. Aangelegd door Victoria en Albert, soms op basis van impulsieve beslissingen, soms omdat de kunstenaar een zekere status had en soms om een aandenken aan nabije en verre verwanten te hebben. De platen zijn grotendeels gefotografeerd. De Heilige Agnes is de eerste plaat waarbij ik ook de beschrijving heb gescand en opgeschoond. Die Engelse beschrijving is in het oorspronkelijke artikel te vinden. Ik hoop binnenkort tijd te hebben voor een vertaling. De overige afbeeldingen moeten nog worden bewerkt voor publicatie.

 

Akelei (European columbine, Aquilegia vulgaris, gewone akelei)

Aquilegia vulgaris (gewone akelei, European columbine)
Aquilegia vulgaris (gewone akelei, European columbine). Front garden.

We didn’t have much time to tend to the front garden these past years. It looks a bit unkempt now. A bit wild. It possibly is already starting to annoy the people with loads of free time to attack every weed and grass that ventures in their impeccably boring gardens. But, what a wealth. The commonest of plants and flowers are a feast for the eye. Although the roses are late this year. But they will come soon.

Let no leaf be unturned

Workmen with leaf blowers at work in the Père Lachaise cemetery, Paris, France.
‘Feuilleter’. Paris, October 2013.

The Brussels Blues

'Brussels Blues'. Metro 'De Brouckère', Brussels, belgium.
‘Brussels Blues’. Metro ‘De Brouckère’, Brussels, Belgium.

The text going with this image will be posted soon.

 

A dog in a boat

"Hond in een boot" ('Dog in a boat). Linoleum print. 2015
“Hond in een boot” (‘Dog in a boat). Linoleum print. 2015

May

A few images made while strolling around the house. May is always good for some colour… and whiteness. The apple-blossom is quite a treat. I bought the tree a year ago in a hardware store.

Flowering bush, neighbor's garden, May
Flowering bush, neighbor’s garden, May
Flowering bush, neighbor's garden, May
Flowering bush, neighbor’s garden, May
Apple blossom in back garden, May.
Apple blossom in back garden, May.
garden_may-4
Here be Gnomes

Variations in Watercolour

"Ancestors". Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016
“Ancestors”. Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016
"Inner Sanctum". Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016
“Inner Sanctum”. Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016
"Runic Development". Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016
“Runic Development”. Watercolour on 185 gsm Arches Grain Fin, 18 x 26 cm. Eelco Bruinsma 2016

‘Where our ancestors fly’ – inspired by the song ‘Special Place’ by Muted World

‘Where our forefathers fly’. Watercolour on Arches 185 gsm paper, 26 x 18 cm. © Eelco Bruinsma 2016
‘Where our ancestors fly’. © Eelco Bruinsma, watercolour on Arches 185 gsm paper, 26 x 18 cm

When I hear the song ‘Special Place’ by Muted World, sung by the beautiful voice of Jófríður Ákadóttir, it immediately sparks a chain of mental images that is difficult to control. Some music has this involuntary synesthetic effect. Muted World’s ‘Special Place’ has a hypnotic reference to the ancestors. The images that fill my thoughts are chains of vaguely tribal shapes, floating in a blue sky. Is it DNA, or is it a series of signs? I don’t know. I have just tried to quickly capture a fragment in watercolour, a fast, and versatile medium. I will dive in again soon and see whether there is more.