Hades IV – “Orpheus”

IV – “Orpheus”

… Near the lipopotamus in the po, po, Potomacmac.
Or was it? Was it on the Po. Po. Po. Basin?
Ham and cheese. Cheese and Ham. A blow
With a huge hammer. Everyone gets a bit.
His slice, her glass. Where?
Not on this plain of crime and fog.
This paltry plain of crime and fog.
He came from Didone, from Dodona, and was dud.
He stottered from the ladder. Our Tom Mastaba.
We called him ‘Mastaba Tom’.
He polished his lyre until it shone.

Sad, sadder is the weather. Where is Livia?
It doesn’t matter, for we celebrate a sacriment.
A sacred condiment. A ship launch in an army tent.
Where are the Ostrogoths? Ravenna?
We celebrate it, every year, on September 14th, right under Theodora’s nose.
Has she come here? Was she here? Has Theodora seen her?

Did she see the wafer-thin sheets of alabaster?
Stone windows, translucent. She must have seen it!
From the depths of Persephone, but
She looked, in vain, for an exit …


Original Dutch version:


IV – “Orfeus”

… Bij de lipopotamus in de po, po, Potomacmac.
Of was het op de Po. Po. Po. Vlakte?
Ham en kaas. Kaas en ham. Een klap
Met de grote hamer. Ieder krijgt z’n brok.
Z’n plak, haar glas. Waar?
Niet op deze vlakte van mist en nevel.
De barre vlakte van misdaad en nevel.
Hij kwam van Didone, van Dodona, en was dud.
Hij stuiterde van de ladder. Onze Tom Mastaba.
We noemden hem ‘Mastaba Tom.’
Die zijn lier poetste tot hij glom.

Triest, triester is het weer. Waar is Livia?
Het geeft niet, want we vieren een sacriment.
Een heilig condiment. Een tewaterlating in een legertent.
Waar zijn de Ostrogoten? Ravenna?
We vieren het op 14 september, ieder jaar, voor de neus van Theodora.
Is zij hier naartoe gekomen? Was zij hier. Heeft Theodora haar gezien?

Zag zij de flinterdunne plaatjes van gepolijst albast?
Stenen ramen, lichtdoorlatend. Zij zag het! Vast!
Vanuit de diepten van Persephone, maar,
Tevergeefs zocht zij een uitgang …

Petite Maison Bourgeoise

“Constructions Françaises. Petite Maison Bourgeoise”. Redrawn by Eelco Bruinsma. © 2018.

A while ago I posted some images from a portfolio of French architectural drawings that I bought at an auction. Today I post the first of a series of re-illustrations based on these drawings. I re-imagined them, well, actually I am still working on the series, to be able to create a flexible series of art prints that can be reproduced digitally on high quality art paper with archival inks. Working on every detail of these images, which are lithographs, makes me appreciate the tremenous skills of the reproduction artists that created them.

Stone lithography in the 19th and early 20th century was as important to all kinds of commercial imagery as DTP and digital design is now. I once wrote a small book on the collection of sigar-box labels that were printed in the south of the Netherlands during the first half of the 20th century. There was a plethora of designs to choose from. Only a few survived as commercial brands. Lithography was the preferred medium. The artisans were creating subtle images and wonderful colours by putting tiny little dots on the lithographic stones rom the Sollnhofer quarries – by hand. They were real virtuoso’s.

These French architectural images were part of a large portfolio of housing types. From small labourer’s cottages to stately city mansions for affluent people, from hunting lodge to architect’s practice, everything was pre-imagined. Driving throug semi-rural and semi-urban areas of France, one can still encounter many of these charming buildings.

The art-print is available in Moonfrog Studio’s Etsy shop. It will be printed on high-quality paper, sent in a tube, and is available in 3 sizes:

  • 30 x 30 cm / 11,81 x 11,81 inch
  • 50 x 50 cm / 19,68 x 19,68 inch
  • 60 x 60 cm / 23,62 x 23,62 inch.

‘Automatic’ India ink drawing #2

I know that the term ‘automatic’ in conjunction with writing and drawing conjures up the Surrealists and psychoanalysis. I have always been interested in the process because I am a fan of the Surrealists and Dada. Many years ago a tried to write poetry in this fashion, but I lost most of the results. And, of course, I like all things ‘Automattic’, because WordPress blogs are what the web is all about.

Recently (see my previous post) I rediscovered the charm of automatic creation. Using a very basic graphic design tool: an ink pen that can only be used to draw lines along a ruler.  I exhibited the results in September 2016 during an art event. In fact, I created them on the evening before the opening, because most of my oil and acrylic paintings were not finished in time. People were charmed by the freshness and lack of finish of the drawings. Some of them I coloured with pencil (Faber-Castell Polychromos), and some I coloured with watercolour.

The inspiration for the drawings originates in Italy, and more specifically a journey from Le Marche to Lazio, and Umbria. The drawings are ‘inspired’ by the landscapes and villages, not literal copies, they are concatenations of shapes that popped up during these automatic drawing sessions. The pen, the unstoppable flow of ink, are the main protagonists of these drawings. These pens are created to draw straight lines of even thickness, they are totally unsuitable for fine drawing. But they are great to invent things as you go an to discover the things your mind throws at you.

My mental world is the world of pre-Socratic philosophy, myth, and eternal landscapes, which is also reflected in these drawings. Are they art?

Central corridor of ‘Voorheen de 5 Platanen’ with the 4 drawings.


The pen.
Automatic drawing #3
Automatic drawing #4, “Bagnoregio and Cività”.
Automatic drawing #5.


Impending Doom

The End is Nigh (cartoon)
The End is Nigh!



Artificial dwelling mound

Artificial dwelling mound in the northern Netherlands. These mounds are called terpen in Friesland (Frisia) and wierden in Groningen. They were built to keep people and cattle dry during the frequent floodings of the coastal area in the northern Netherlands, and the northern region of Germany (Ostfriesland). There are many types of these dwelling mounds, but the canonical types are circular (radiair), and rectangular. The circular road, or Ossengang (Ox Road) was used as a route to bring the cattle from the field to the stables. In the first centuries CE the people lived in long houses with their lifestock.
Artifical dwelling mound. Rectangular type. This image represents a later stage. During the Middle Ages the germanic places of worship were replaced by christian churches. Often a church was built on a location that was already a place of worship. These villages have survived relatively unaltered and can still be visited today.

Liberté, Egalité, Fraternité

‘Liberté, egalité, fraternité.’ Still from our animation studio (Moonfrog Studio). Puppets Heleen, montage, me.
‘Liberté, egalité, fraternité.’ Still from our animation studio (Moonfrog Studio). Puppets Heleen, montage me.

Setup for a stop-motion animation.

De heilige Agnes en Tante Annie

(Dit is de Nederlandse vrije bewerking van mijn recente Engelstalig blog-artikel over de 19de-eeuwse staalgravure naar het schilderij ‘De heilige Agnes’ van Domenichino uit de Britse ‘Royal Collection’. Tijdens het schrijven ben ik een beetje van de lijn van het oorspronkelijk stukje afgeraakt. De afbeeldingen zijn in eerdere stukjes gepubliceerd, maar in de loop van de maand mei worden nieuwe foto’s toegevoegd.)

Detail of an engraving after Jean-baptiste Greuze
Steel engraving of ‘Childhood’ by jean-Baptiste Greuze. Detail.

Het is een zonnige dag in mei. Tijd dus voor een snuifje kunstgeschiedenis vermengd met persoonlijke herinneringen. Een tijdje geleden schreef ik een Engelstalig artikel over twee grote en zware boeken met 19de-eeuwse gravures naar originele werken in de Britse Royal Collection. De boeken, in Londen uitgegeven door P. & D. Colnaghi & Co. in de jaren 1854 – 1860 bevatten een verzameling staalgravures gemaakt naar originelen die verspreid in de paleizen van het Britse koningshuis te vinden waren. In de 19de eeuw waren staalgravures zeer populair bij het maken van reproducties van kunstwerken in openbare en particuliere collecties. In de tijd dat deze volumineuze en loodzware boeken werden geproduceerd bestond de fotografie al wel, maar deze techniek werd nog niet op grote schaal toegepast voor het reproduceren van kunst. De staalgravures zijn gemaakt door een team graveurs die speciaal toestemming kregen om de werken te kopiëren. De staalgravure is een diepdruk techniek. Dat wil zeggen dat de afbeelding ingekerfd wordt in een gepolijste staalplaat. Dat kan door etsen, maar ook door gebruik te maken van fijne naalden en instrumenten die meerdere dunne lijnen tegelijkertijd inkrassen. Door het gebruik van mechanische hulpmiddelen ziet de staalgravure er vaak wat ‘droog’ en onpersoonlijk uit. Deze toepassing van de staalgravure wordt ook wel ’reproductie-grafiek’ genoemd. In tegenstelling tot de koperplaatjes die door kunstenaars gebruikt worden voor het maken van etsen en kopergravures, gaan de staalplaten lang mee en kunnen er grotere oplagen van gedrukt worden.

De Heilige Agnes. Detail uit de boeken van Hall.
De Heilige Agnes. Detail uit de boeken van Hall.

De boeken waarin de gravures zijn gebonden bevatten beschrijvingen door Samuel Carter Hall (1800 – 1889). Hall was ook de initiatiefnemer van het project. Het was een beetje een zurige man en dat komt in zijn beschrijvingen duidelijk naar voren. Een commercieel succes is de publicatie nooit geworden. De platen zijn eerst separaat gedrukt voor abonnees op een kunsttijdschrift. Op een bepaald moment is besloten alle prenten te bundelen in vier volumes, gebonden in twee enorme banden. Op dat moment zijn de drukplaten verzaagd en zijn er nog meer afdrukken van gemaakt. De boeken bevatten de oorspronkelijke afdrukken op dik papier. Gelukkig is besloten voor een papiersoort die niet, zoals zoveel papier uit de 19de-eeuw, gevoelig is voor verzuring. Hierdoor zijn de prenten in goede staat.

De boeken zelf hebben heel lang op een kast in het oude Haagse bovenhuis van mijn oudtante gelegen, zie het engelstalige artikel daarover. Die oudtante, een familielegende, was een merkwaardige en eigenzinnige vrouw waar ik als kind eigenlijk het liefst ver bij uit de buurt bleef. Ze had een nogal directe manier van doen. Daarbij had ze de gepekelde en doorrookte stem van een kapitein op de Grote Vaart. De staande uitdrukking hiervoor is: “een stem als een bootwerker”.

Met die stem bulderde zij haar mening over alles en iedereen onbekommerd voor zich uit. Op het klein jongetje dat ik was kwam dat nogal intimiderend over. Tante Annie was bovendien een fanatiek kettingrookster die overal een spoor van as, peuken en brandgaten achterliet. Na een bezoek van haar aan mijn ouderlijk huis klaagde mijn vader er steevast over dat de suikerpot weer eens vol peuken zat. Ze rookte, in haar huis, op visite, in haar atelier, in bed, achter het fornuis en achter het stuur van haar zwarte Citroën Traction Avant. Ze rookte tijdens het veranderen van haar testament, iets dat ze gemiddeld één maal per week deed. Ze rookte overal en altijd. In haar Haagse bovenhuis runde ze een naaiatelier waar door professionele naaisters verfijnde jurken voor een uitgelezen clientèle, waaronder enkele hofdames, werden gemaakt. Achteraf bezien vraag ik mij wel eens af of deze jurken niet volledig van sigarettenrook doortrokken aan haar veeleisende klanten werden afgeleverd. Was roken in die tijd soms zo geaccepteerd dat niemand zich eraan stoorde?


De boeken die nu binnen mijn handbereik liggen zijn stille getuigen van dit, sinds lange tijd verdwenen, atelier. Als je aan de pagina’s snuffelt wordt je nog een vleugje sigarettenrook gewaar. Een oom van mij zei ooit tegen haar: ‘Tante, je moet toch eens stoppen met dat gerook in bed. Want anders wordt je op een goede ochtend wakker … en dan ben je hartstikke dood.’ In mijn ogen was ze toen al oeroud en ergens in de jaren 80, toen ik in Leiden studeerde, is ze inderdaad overleden. Met of zonder sigaret in bed, dat weet ik niet. Het contact met deze bizarre oudtante stond in deze jaren op een heel laag pitje.

Hoe en wanneer de boeken precies in het bezit van mijn oudtante zijn gekomen weet ik niet meer. Ze lagen daar op die duistere houten kast in het sombere Haagse huis. De familietraditie om op nieuwjaarsdag bij mijn oudtante op bezoek te gaan heeft er iets mee te maken dat ze uiteindelijk bij mij zijn beland. Gedurende de nieuwjaarsdag, met het naderen van het moment waarop mijn ouders opstonden en naar de auto liepen om naar de naargeestige Haagse wijk te rijden, daalde mijn humeur en steeg het gevoel van onbestemde misère. Eenmaal aangekomen beklommen wij de steile trap en baanden ons een weg naar binnen. Meestal kon je door de rook al geen hand voor ogen meer zien.

Het weerzien met ooms, tantes neven en nicht was op zich wel leuk, maar de duistere atmosfeer en de overdonderende zwaarte en somberheid van het interieur kwamen als beelden uit een verstikkende nachtmerrie op mij af. De muren waren van onder tot boven volgehangen met grote schilderijen in brede vergulde ornamentlijsten. Een enorme liggende naakte vrouw, waarvan ik mij altijd angstig afvroeg of het tante Annie in jonger jaren was, hing pontificaal boven de canapé. Ik vermeed het meestal in de richting van de canapé te kijken uit angst voor de vermorzelende naaktheid die van het schilderij leek af te rollen.

De stoelen met de gigantische lederen armleuningen, gepokt en gemazeld met brandgaten, werden gevuld met vrolijk rokende, discussiërende en drinkende familieleden – het waren de jaren ’70. Neef en nicht bezorgden zo nu en dan wat welkome afleiding, maar omdat zij ouder waren en al op de middelbare school zaten, waren zij voor de volwassenen interessant genoeg om bij hun gesprekken te betrekken. Ik trok mij na verloop van tijd terug in de hal. En daar ontdekte ik de twee voor mijn gevoel enorme boeken die mij door tante Annie welwillend ter beschikking werden gesteld. Ik wist nog niets van kunst. Ik had ook nog nooit echte gravures gezien, maar de charmante genretaferelen en landschappen voerden mij ver weg van het hier en nu van dat moment. De grote bladen waren magische vliegende tapijten waarop ik wegvloog naar de Oriënt, of zweefde boven een Brits herderslandschap met een slingerende rivier.

Ik klampte mij aan de boeken vast als waren het in leder gebonden reddingsboeien. Af en toe gleed mijn blik naar de duistere uithoeken van het appartement en hoorde ik het geroezemoes, de luide gesprekken en het geklink van glazen uit de salon komen. De meubelen waren allemaal gestoffeerd met donkere stoffen, of ongestoffeerd, maar van donker hout. De divan in de salon was bedekt met een oosters kleed, zoals de beroemde divan van Sigmund Freud op de foto’s van zijn spreekkamer in Wenen en Londen. Alles, maar dan ook werkelijk alles, had op mij een angstaanjagende en beklemmende uitwerking. Op zo’n moment hoefde ik maar weer naar beneden te kijken – de boeken lagen op een zwaar Perzisch tapijt – en weg was ik, als Little Nemo in Slumberland, opgenomen in de werelden in de prenten.

Detail of the engraving after a painting by F. Winterhalter. Royal Collection Osbourne.
Detail of the engraving after a painting by F. Winterhalter. Royal Collection Osbourne.

Het was tijdens zo’n droomvlucht door een Italiaans heuvellandschap dat ik plotseling de zware basstem van mijn oudtante boven mij hoorde. Als Harry Potter die door Perkamentus uit de ‘hersenpan’ [pensieve] wordt teruggeroepen, zo werd ik weggezogen uit het droomlandschap dat door de haarscherpe staalgravure voor mijn ogen werd getoverd.

“Je vindt die boeken mooi hè…” bromde ze glimlachend.

“Ja tante Annie. Het zijn mooie platen. Maar ik heb ze lang nog niet allemaal bekeken”. Ik was kennelijk bang voor een overhoring, dus ik probeerde me al in te dekken. Iedere plaat wordt vergezeld door een Engelse beschrijving. In die tijd was mijn beheersing van die taal volkomen ontoereikend. Ik keek naar de platen, maar de beschrijvingen liet ik voor wat zij waren.

“Als ik later dood ben, dan zijn ze voor jou”, baste ze door de ruimte, met een wijds theatraal handgebaar. Mijn ouders, ooms en tantes, sloegen het tafereel gaande. Ik zat met mijn mond vol tanden op het Perzisch tapijt, doodongelukkig omdat nu alle blikken op mij gericht waren. De vlucht in de boeken had mij vol in de spotlichten op de Bühne van tante Annies familietheater doen belanden. In die tijd ontbeerde ik ieder sociaal instinct, sociale behendigheid en gemak in ongemakkelijke situaties, dus ik werd knalrood en stamelde een onverstaanbaar: “… eeeh, oh, eh, dank u tante Annie”. Iedereen boog zich plotseling geïnteresseerd over de boeken en ik hoorde tante Annie vertellen dat zij ze met een vrachtboot uit Engeland had meegenomen. Dat was niet onwaarschijnlijk, want deze feministe avant la lettre maakte bizarre reizen, soms in gezelschap van haar vriendin Riek, ‘tante’ Riek.

Van ‘tante’ Riek weet ik niet al te veel. Ze was, net als tante Annie alleenstaand en werkte ergens in Den Haag. In de laatste drie jaar van mijn middelbare schooltijd gaf zij mijn moeder de Elsevier en Vrij Nederland, toen nog een echte krant, met een papieren wikkel en een gele bijlage, voor mij mee. Met een oude brievenopener sneed ik het wikkel los en las de artikelen. Zonder het te weten heeft deze tante Riek, over de werkelijke relatie die zij met tante Annie had werd alleen gefluisterd, veel aan mijn ontwikkeling bijgedragen, want ik verslond ieder artikel en begon mij daardoor steeds breder in de wereld te verdiepen. Het openritsen van het wikkel was als het openen van een geheime ruimte vol opgeslagen kennis. Het was ook de eerste keer dat ik iets las van mijn latere held, Rudy Kousbroek, maar daarover een ander artikel.

Tante Annie en tante Riek verschenen vaak samen op verjaardagen. Meestal uren te laat, omdat zij weer eens naar een nabijgelegen stad waren gereden. Tante Annie bromde in het rond en vulde de suikerpot met peuken. In het dikke mist van sigarettenrook bewogen armen met houten prikkers naar blokjes kaas en kleine worstjes. De aan de stokjes geprikte lekkernijen zweefden naar een schaaltje mosterd en verdwenen in pratende monden, terwijl daar de rook uit omhoog kringelde. Zo waren de verjaardagen in de jaren ’70. Er werd heftig gedebatteerd over politiek. Er was onenigheid over ‘langharig werkschuw tuig’, over Joop den Uijl, Wiegel, Rusland, over eigenlijk alles. Moslim-terrorisme was toen nog niet aan de orde. Broekspijpen hadden wijde uitlopers en in veel kamers van middelbare scholieren waren visnetten opgehangen.

Bij die gelegenheden werd ik door Riek en tante Annie meestal welwillend bejegend. Ik deed net alsof ik met hen op dezelfde golflengte zat. Soms zei tante Annie: “Jij weet het wel hè… Hoe de dingen in elkaar zitten. Jij bent niet zo dom als je vader”. Dan mompelde ik wat, want “nee” kon ik niet zeggen en “ja” natuurlijk ook niet. Bovendien had ik geen flauw idee hoe de dingen in elkaar zaten. Ik had überhaupt geen idee over welke ‘dingen’ ze het had. Aan de andere kant begreep ik dat ze me kennelijk hoog aansloeg en die illusie wilde ik liever nier verbreken. Diepzinnig zwijgen, of onverstaanbaar mompelen was op dat moment dus de meest geschikte tactiek om ongeschonden uit het onderonsje weg te komen.

Reproduction engraving of ‘Childhood’ by Greuze. Royl Collection, Buckingham Palace.
Reproduction engraving of ‘Childhood’ by Greuze. Royal Collection, Buckingham Palace.

Mijn vader en tante Annie haatten elkaar, maar om verschillende redenen. Tante Annie vond mijn vader ten onrechte een domme, kleinburgerlijke en reactionaire man, die mijn moeder niet waard was. Mijn vader vond tante Annie ten onrechte een kwaadaardige, laveloze, losbandige en lelijke, gevaarlijke gek. Met afschuw vertelde hij vaak het verhaal hoe hij niet lang na de oorlog in Den Haag door een winkelstraat liep en plotseling een luide claxon hoorde toeteren. Na het overdreven lang claxonneren klonk een luid: “Dag Joop! … Wil je een lift?” vanaf de overkant van de straat en zag hij de zwarte Traction Avant (zo’n echte Maigret-auto) met opengedraaid raam waaruit het geplette jaren ’20 kapsel van mijn oudtante stak, inclusief hoofd en sigaret. Zulke zaken waren aan mijn vader absoluut niet besteed en hij ging er zo snel mogelijk vandoor in de hoop dat geen bekende van hem het tafereel had gadegeslagen. De potsen van deze tante van mijn moeder waren hem een doorn in het oog, vooral het voortdurende misbruik dat zij maakte van het testament. Dat meer weg had van een wapen, dan van een juridisch document. De ene week stond je erin, de volgende was je er weer uit weggestreept. Je werd gepaaid met een mogelijke vermelding in het testament, of er werd gedreigd met verwijdering. Mijn moeder, haar nicht, is uiteindelijk definitief uit het testament geschrapt, nadat ze de chantage en de onwaardige behandeling niet langer accepteerde.

De boeken van Hall zijn jarenlang door mijn neef bewaard voordat hij ze weer aan mij overdroeg. Onze herinneringen aan onze oudtante zullen wel hemelsbreed van elkaar verschillen. Ik zal hem eens uitnodigen als gastredacteur een stukje over zijn beleving van die tijd te schrijven, want ik weet zeker dat mijn beleving gekleurd is en de informatie grotendeels uit de tweede hand.

De collectie van het Britse koningshuis is gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk. Het is boeiend om te zien hoe de werken verzameld werden. Het is ook een zeer eclectische verzameling. Aangelegd door Victoria en Albert, soms op basis van impulsieve beslissingen, soms omdat de kunstenaar een zekere status had en soms om een aandenken aan nabije en verre verwanten te hebben. De platen zijn grotendeels gefotografeerd. De Heilige Agnes is de eerste plaat waarbij ik ook de beschrijving heb gescand en opgeschoond. Die Engelse beschrijving is in het oorspronkelijke artikel te vinden. Ik hoop binnenkort tijd te hebben voor een vertaling. De overige afbeeldingen moeten nog worden bewerkt voor publicatie.